Kritisch, betrokken, onafhankelijk en nieuwsgierig

MENSENRECHTEN VOOR SOMMIGE NEDERLANDSE MENSEN

Ik was laatst aanwezig op een bijeenkomst met jongeren en de politie. De sfeer was redelijk gespannen. Jongeren klaagden dat ze vaak door de politie aan de kant werden gezet. Op een gegeven moment zei een politieagent, verontwaardigd: “Waarom gaan jullie er niet vanuit dat we ons werk integer doen?” De zaal werd stil. Sommigen knikten instemmend. De agent sloot af met: “We doen ons werk met goede bedoelingen.”

Op het terrein van de mensenrechten zijn er enkele goede ontwikkelingen, vermeldt het rapport “Mensenrechten in Nederland 2014” van Het College voor de Rechten van de Mens. Onder andere wordt genoemd dat enkele mensenrechtenverdragen inmiddels zijn bekrachtigd en de overheid stelling neemt tegen arbeidsmarktdiscriminatie.

We zijn een eind op weg, maar we zijn er nog lang niet.

Het rapport leert mij namelijk het volgende: Nederland is een onaffe democratie. Ja mensen, Nederland is een democratie met gebreken. Nederland is een democratie waar mensenrechten nog niet volledig zijn omarmd.

“We doen ons werk met goede bedoelingen.”

Vandaag heeft het SCP weer onderzoek gedaan naar arbeidsmarktdiscriminatie. De conclusie luidt dat witte testpersonen anderhalve keer meer kans maken om uitgenodigd te worden voor een sollicitatiegesprek.

Wij mensen vertellen verhalen. Jongeren uit migrantengroepen vertellen al langer het verhaal dat ze worden gediscrimineerd. Een onderzoek of een rapport is ook een verhaal. En het verhaal dat Nederland niet heel tolerant is, dat je niet per se loon naar presteren krijgt, en dat we niet dezelfde kansen hebben in dit land, is inmiddels een waarheid gecorrobeerd door talloze verhalen.

Het verhaal dat Het College voor de Rechten van de Mens vertelt, is een ongemakkelijke. Een vervelende. Een pijnlijke. Het is een confronterend verhaal.

Kritiek van een geloofwaardige buitenstaander vereist soms dat de persoon die de kritiek te verduren krijgt een andere relatie met zichzelf moet aangaan. Je ontwikkelt een andere verhouding tot jezelf. De verhouding van Nederland tot zichzelf behoort te zijn: we zijn onvolmaakt.

De Nederlandse vinger wijst zonder moeite naar de ander. Dat wil in deze context zeggen, buitenlandse mogendheden die mensenrechtenschendingen plegen. Zo bekritiseren we Rusland om hoe ze daar omgaan met homo’s, Turkije ten aanzien van politiegeweld en veel Arabische landen vanwege de erbarmelijke positie van vrouwen.

“We doen ons werk met goede bedoelingen.”

Deze moralistische vinger is meer dan terecht, laat hier geen misverstand over bestaan. Druk op deze landen kan hen mogelijk dwingen om mensenrechten aan en op te pakken. Tegelijkertijd ontkom ik niet aan de indruk van het arrogante en zelfingenomen Nederland, dat anderen graag de maat neemt, maar blind is voor de eigen onvolmaakte naleving van mensenrechten.

Het vingerwijzen gaat Nederlandse beleidsmakers en politici makkelijk af. Maar zodra diezelfde beleidsmakers en politici kritiek te verduren krijgen, reageren ze uiterst krampachtig.

Ik maak mij daar ernstig zorgen over. Uitspraken van toezichthoudende comités van de Verenigde Naties, rapporten van de Raad van Europa, publicaties van Amnesty International Nederland of uitspraken van de reeds vertrokken Nationale Ombudsman Alex Brenninkmeijer werden grotendeels genegeerd. De politiek reageerde als een klein kind: gepikeerd en verongelijkt.

“Maar we doen ons werk met goede bedoelingen”, jammert ze.

Mensenrechten zijn nog niet af. Ook in Nederland niet. Om de rechtsstatelijke principes van menswaardigheid, een respectvolle bejegening naar burgers, privacy, transparantie, verantwoording en de norm van non-discriminatie te waarborgen, is aandacht voor mensenrechten in Nederland noodzakelijk.

Ik wil een voorbeeld geven uit het rapport. De voorbeelden zijn talloos.

Zo vraagt de digitale revolutie om een herbezinning van de persoonlijke levenssfeer. Helaas lijkt deze noodzaak ook onder burgers afwezig te zijn. Surveillance, de controle van de overheid op burgers door informatie over hen te verzamelen en te bewerken, werkt in de huidige samenleving niet meer door onderdrukking en onderwerping, maar via verleiding en subtiele macht. Zygmunt Baumann zegt dat de oude KGB, de Russische inlichtingendienst, jaloers moet zijn op Facebook. Dit platform werkt niet door mensen te dwingen om informatie af te geven; mensen worden vooral verleid om zelf informatie te delen.

De burger moet echter beschermd worden tegen inbreuken op haar privacy, of ze nu bewust is van de risico’s of niet. Vaak weten we niet dat er inbreuk wordt gemaakt op onze persoonlijke levenssfeer. De vraag is ook: wanneer geven we waar precies toestemming voor?

Volgens het internationaal verdrag inzake de uitbanning van alle vormen van rassendiscriminatie moet de Nederlandse overheid actief discriminatie en etnische stereotypering tegen gaan. Artikel 1. is in de basis bedoeld om burgers te beschermen tegen discriminatie door de overheid. Zo komen we bij mijn onderwerp: racial profiling door de Nederlandse politie. Het is dan ook de hoogste tijd dat de Nederlandse politie erkent dat politiediscriminatie het niveau van incidenten overstijgt en serieuze stappen neemt om dit probleem aan te pakken. Dit schrijft het internationaal verdrag ons immers voor.

Ik wil ten slotte een voorbeeld geven van hoe idealen in de praktijk kunnen schuren. Ik ben een van de oprichters van het project Straatrecht. Het doel van Straatrecht is om jongeren te informeren over hun grondrechten tijdens politiecontroles. Wanneer mag de burger wel en niet gefouilleerd worden, wanneer moet de burger zich identificeren? We wijzen jongeren er nadrukkelijk op dat ze zich respectvol en beleefd opstellen naar de politie. Het gaat om zowel burgerlijke rechten als plichten.

Tijdens diezelfde bijeenkomst, waar ik mijn verhaal mee begon, hebben wij een Straatrecht workshop gegeven. De aanwezige agenten waren overduidelijk niet op de hoogte van de doelen van Straatrecht. Nadat mijn collega jongeren het advies had gegeven om agenten vragen te stellen over hun motieven voor een ID controle, stond de aanwezige districtschef dramatisch op en zei, plenair, dreigend: “Jullie bevinden je nu op glad ijs.”

De districtschef kreeg veel bijval van de aanwezige agenten. In de kern leken agenten te vrezen voor interactiemoeilijkheden door de workshop. Maar wat er die avond in de zaal gebeurde, is wat er dagelijks op straat gebeurd. De politie weet het beter, de burger voegt zich bij voorkeur naar een nederige, onderdanige rol. Dat gold dus ook voor ons, de workshopbegeleiders. De asymmetrie moet geëerd worden. Bovendien: de politie doet graag mee aan een dialoog, maar wel op haar voorwaarden.

Straatrecht is voor ons een vorm van mensenrechteneducatie. We willen jongeren empoweren door ze te wijzen op hun rechten en plichten. We vertellen jongeren constant dat ze zich coöperatief en de-escalerend moeten opstellen. Straatrecht poogt juist om wederkerigheid tot stand te brengen.

Maar wacht. Wat is bovendien de consequentie van de opstelling en logica van de politie?

Dat we jongeren niet mogen wijzen op hun grondrechten? Dat mensenrechten voor sommige Nederlandse mensen zijn bedoeld?

“We doen ons werk met goede bedoelingen”, bleef de politie herhalen tijdens de bijeenkomst.

Goede bedoelingen, daar koop je dus helemaal niks voor.

 

 

Dr. Sinan Çankaya

17 juni 2015

 

Toespraak gegeven op Debat over de Mensenrechten, EMCEMO Amsterdam