Kritisch, betrokken, onafhankelijk en nieuwsgierig

Mannen zijn zus, vrouwen zijn zo(on)

De meerderheid van de mensheid is man, mannen domineren de wereld, dus ook binnen de politie domineren mannen. Waarom eigenlijk? Zo ongeveer begon twee maanden geleden een ingezonden brief. Het is als lezer onmogelijk om voorbij te gaan aan de weinig verhulde aandacht voor genitaliën. De auteur vindt zijn antwoorden – niet geheel verrassend – in de hoek van de biologische wetenschap. Het zijn de aangeboren sekseverschillen (sekse, dus penissen en vagina’s?) die ons mensen voortbewegen. Als voorgeprogrammeerde computers. Onnadenkende zombies. Oftewel: mannen zijn zus, vrouwen zijn zo. De sociale constructie van aangeleerd ‘mannelijk’ en ‘vrouwelijk’ gedrag wordt sterk onderbelicht. Evenals de manieren hoe machtsverschillen tussen mannen en vrouwen binnen politieorganisaties in stand worden gehouden. In de brief wordt veel gesproken over het niet willen en kunnen van vrouwen, maar weinig over het niet mogen.

Zo zouden vrouwen simpelweg niet bij de politie willen werken vanwege hun genetische opmaak. Sterk staaltje biologisch determinisme. Deze denkwijze is vergelijkbaar met het geloven in Het Lot: het is onafwendbaar, je ontkomt er niet aan. De genetische wetenschap legt echter nooit een direct verband tussen aanleg en gedrag. Zowel aangeboren als aangeleerde verschillen zijn hier van belang. De mens kan daarnaast reflecteren over keuzes: er is beschikkingsvrijheid. En hoe zit het met beeldvorming en beroepskeuze?

Er werken al veel vrouwen bij de politie. En het aantal vrouwelijke sollicitanten stijgt met de jaren. Wie zegt dat ze er niet willen werken? Is het politiewerk daarom ‘gewoon’ mannenwerk? Nee. Zelfs niet als het diverse en complexe politiewerk wordt gereduceerd tot het puur fysieke werk: het KO’en van een boef, het springen over prikkeldraad, het wegduiken voor een kogel in slow-motion Matrix-stijl. Ja, daar hebben mannen wereldwijd gezien een voordeel: ze zijn gemiddeld langer, wegen zwaarder en hebben meer spierweefsel. Maar ook vrouwen kunnenboeven KO’en (of pepperen, of neerschieten). Bovendien, de gemiddelde noodhulper moet meer praten en bemiddelen dan wegduiken voor kogels. Waarom zouden we er daarom niet van uit kunnen gaan dat het politiewerk geslachtsloos is?

De ideeën in de brief doen niks anders dan het evenzo willekeurige en artificiële beeld van politiewerk als ‘typisch mannenwerk’ herbevestigen. Artificieel, omdat het politiewerk ook als ‘typisch vrouwelijk’ zou kunnen worden geïnterpreteerd. Het hele probleem is dat juist de instandhouding van deze beelden ongelijke kansen creëert. Het woord agent blijft zo – paradoxaal genoeg – inderdaad niet geslachtsloos en neutraal. De brief draagt eraan bij dat we bij het woord agent blijven denken aan een man.

Waar ik het mee eens ben is dat de ‘feminisering’ van het politiewerk niet per sé zal slagen door een quotum. De feminisering van het politiewerk kan alleen maar geschieden door ‘vrouwelijke’ eigenschappen positief te waarderen. Maar deze eigenschappen moeten niet toegeschreven worden aan ‘de’ vrouw. Er moet juist ruimte ontstaan voor complexe genderposities. Oftewel, een ontkoppeling van gedrag en genitaliën.

Daarom interesseert het mij ook minder dat de vrouwen die bij de politie willen werken, of doorstromen naar hogere functies, de bouw van de Terminator en het stemgeluid van Barry White (zouden) hebben. Wanneer complexe genderposities mogen bestaan, hoeven mensen (m/v) zich niet te conformeren aan genderspecifieke gedragsverwachtingen. Dan hoeven vrouwen zich niet dubbel te bewijzen in een mannenomgeving. Ze hoeven dan ook geen ‘extra meerwaarde’ te hebben. Dat verwachten we immers ook niet van witte, heteroseksuele mannen. Idealiter voldoet iedereen ‘gewoon’ aan de ‘neutrale’ en ‘objectieve’ basiscompetenties. De woorden staan tussen aanhalingstekens, omdat de vorige brief laat zien dat diezelfde ‘neutrale’ en ‘objectieve’ competenties, eigenlijk worden toegeschreven aan mannen.


Sinan Çankaya kan zich soms opwinden. En soms doet hij daar iets mee. Schrijven bijvoorbeeld. Dit artikel is eerder verschenen in Blauw 2009 (5)24: 32-33.