Kritisch, betrokken, onafhankelijk en nieuwsgierig

DE KLOON VAN HET DEBAT

Gepubliceerd: 24 april 2012

Kopvoddentax, stemvee, bedrijfspoedel, knettergek, straatterroristen en polder-Taliban. Volgens mij ben ik iets op het spoor en verklaart dit taalgebruik de frequentie waarmee er wordt gesproken over ‘de toon van het debat’. De uitdrukking ‘de toon van het debat’ is echter een nietszeggend containerbegrip voor alle stilistische en argumentatieve middelen die worden aangewend om een debat te escaleren. Daarbij vindt de één dat we moeten ophouden met het emmeren over ‘de toon van het debat’. De ander vindt de toon respectloos en kwetsend. Weer een ander vindt dat het debat polariseert en stigmatiseert. Dit laatste punt is onderdeel van mijn argument. Mijns inziens is de taal van invloed op hoe we denken, spreken en doen. Ook heeft elk spreken regels en in- en uitsluitende gevolgen.

Mijn basisaanname is dat de specifieke woorden die we gebruiken om iets te beschrijven van invloed zijn op hoe we iets zien en welke voorstelling wij ons daarvan maken. Berger en Luckmann betogen dat mensen op die manier een sociale werkelijkheid construeren. In aanvulling hebben Lakoff en Johnson uitvoerig geschreven over metaforen. Neem bijvoorbeeld het begrip ‘tijd’. Om een mentale voorstelling te maken van een abstract concept als tijd zou je een klok kunnen zien met wijzers of een plant die groeit. Ook de metafoor ‘tijd is geld’ beïnvloedt hoe we het verloop van tijd ervaren en hoe we onszelf positioneren ten opzichte van anderen in een wereld met tijd. Binnen de metafoor ‘tijd is geld’ passen bijvoorbeeld de volgende zinnen.

 

Ik heb veel tijd verloren.
Dat gedoe heeft mij veel tijd gekost.
Mijn dure tijd.
Dit is mijn tijd niet waard.
Hoeveel tijd hebben we nog?
Ik heb hier veel tijd in geïnvesteerd.

 

Al met al: we beschouwen de tijd als een kostbaar handelsartikel en bezit. Deze mentale voorstelling van tijd beïnvloedt hoe we onze dagelijkse activiteiten structureren. De taalmetafoor ‘tijd is geld’ creëert op deze wijze een bepaalde sociale werkelijkheid.

De consequentie van deze vooronderstelling is dat ook de metafoor ‘een tsunami van migranten’ een uitwerking heeft op de beelden en opvattingen van Nederlandse burgers. Zo blijkt dat Nederlanders de omvang van de migratie schromelijk overschatten. Het is aannemelijk dat deze misvatting deels wordt veroorzaakt door het overdreven taalgebruik in de politiek, media en wetenschap. Het dominante spreken produceert daarmee klonen van ‘de toon van het debat’.

Om de bovenstaande redenen ga ik er ook vanuit dat ‘de toon van het debat’ polariseert en stigmatiseert. Het begrip ‘stemvee’ gaat een stap verder en is een voorbeeld van dehumanisering. Door een categorie mensen te relateren aan dieren wordt de menselijkheid van die groep inferieur gemaakt. Hetzelfde geldt voor het woord ‘kopvoddentax’. Dieren hebben een kop, mensen een hoofd. Aldus zijn moslims gewelddadig (polder-Taliban) en rampzalig (tsunami). Ook gedragen ze zich als een kudde dieren (stemvee en kopvoddentax). Ik heb het overigens over moslims, omdat het klaarblijkelijk steeds over deze groep moet gaan.

Taaluitingen hebben ook in interacties een in- en uitsluitend effect. Zo wordt degene die zich in het huidige dominante spreken verzet tegen de ‘toon van het debat’, in het hok ‘links’ of ‘politiek-correct’ geplaatst. In mijn interpretatie is dit vooral een retorische strategie om de eigen denkbeelden te behoeden voor kritiek en tegenwoordig voldoende om iemand te excommuniceren van een spreekdomein. Wie luistert er nu naar iemand die knettergek is? Je bent knettergek als je het doet.

De dominantie van dit spreken blijkt uit het kopieergedrag van de andere politieke partijen en de media. Daarmee is een ‘nieuw’ politiek correct spreken ontstaan. Oftewel: om tegenwoordig politiek-correct te zijn, behoort men op een bepaalde wijze te spreken. Dus gaan de andere partijen ook ‘ballen tonen’ en ‘problemen benoemen’. Bijna komisch vind ik het strategisch gebruik van de jengelende en repetitieve kreet: ‘We mogen niet zeggen waar het op staat.’ Zijn er in vredesnaam nog problemen die niet zijn benoemt? Of problemen die niet in verband zijn gebracht met koeltoer en Ieslam? Door een spreekhouding van de constante underdog aan te nemen, kan de ‘realist’ telkens weer propageren dat er niet naar ze wordt geluisterd.

Paradoxaal genoeg zorgt het ‘nieuwe’ politiek correcte spreken ervoor dat andere sociale problemen juist niet mogen worden benoemd, zoals discriminatie op de arbeidsmarkt. Want: ‘Moet het nou wééééér daarover gaan.’ Dit type formuleringen zorgt er tegenstrijdig genoeg voor dat het er in het geheel niet over gaat.

Alles overziend is er een zeker patroon in de toon van de kloon van het ‘nieuwe’ politiek correcte spreken. Waardoor bepaalde groepen ‘erbij horen’ en andere groepen ‘er niet bij horen’. Waarbij? Tot de zelfbenoemde categorie goede, tolerante, geweldloze, realistische, vredelievende en verlichte mensen.

Elk dominant spreken heeft een beperkte houdbaarheid. Het tij zal keren. Helaas zal ook dat type spreken mensen in- en uitsluiten.

 

Sinan Çankaya laat zich op zijn blog niet (altijd) belemmeren door academische conventies en eindeloze nuances. Verder erkent hij dat het woord ‘kloon’ ongelukkig is gekozen.