Kritisch, betrokken, onafhankelijk en nieuwsgierig

HET ‘ALS-JE-NIETS-TE-VERBERGEN-HEBT’ DENKEN BINNEN DE NEDERLANDSE POLITIEORGANISATIE

 

Ericson vraagt zich af wat de politie doet, als ze zo weinig mensen aanhoudt. Zijn eigen antwoord is dat in het huidige gedigitaliseerde tijdperk de traditionele politiefocus op een territorium, dat strafrechtelijk moet worden beschermd en bewaakt, minder aan de orde is. Ericson constateert een verschuiving van de politieagent als boevenvanger naar de agent als kennismakelaar. De ‘moderne’ agent produceert, verwerkt, ordent en distribueert informatie voor allerlei specialistische afdelingen binnen de eigen organisatie, evenals voor externe partners. De beslissingsruimte van de agent heeft dus ook betrekking op de vraag of er wel of niet een registratie in het politiesysteem wordt gemaakt.

 

Ik vind de [proactieve] controles geslaagd als ik echt weet wie de persoon is. Dus naam, adres, woonplaats, wat hij doet en wat hij hier doet. Het is dus effectief als ik een identiteitsbewijs heb gezien, om dat vervolgens vast te kunnen leggen. Het kan zijn dat je de volgende keer iemand wel nodig hebt. Kijk, ik heb er weer kennis bij, want ik leg die persoon vast in het systeem. Dus het gaat om het vergaren van informatie. We willen gewoon altijd weten wie iemand is. En aan de hand daarvan beslis je of je verder gaat of niet. (Man, boven 30 jaar, Nederlands, hoofdagent)

 

De opkomst van Informatiegestuurde Politie (IGP) en Intelligence-Led Policing heeft belangrijke gevolgen op het alledaagse denken en doen van de straatagent. De wens om de informatiepositie van de politie te versterken heeft bijvoorbeeld geleid tot een formeel en informeel adagium van ‘hoe meer informatie, hoe beter’. In de dagelijkse praktijk bestaat er een spanningsveld tussen enerzijds een ‘effectieve’ en ‘efficiënte’ informatiepositie van de politieorganisatie en anderzijds de wettelijke kaders die deze gegevensverzameling reguleren. Tegelijkertijd dragen weigeringen van burgers op vergaande verzoeken van de politieagent bij aan verstoringen in het oordeelsvormingsproces.

Tijdens proactief politiewerk – dat op het initiatief van de straatagent ontstaat – kunnen agenten burgers vrijwillig verzoeken hun identiteitsbewijzen te overhandigen, afgesloten delen van het voertuig te laten onderzoeken of de inhoud van tassen en jaszakken te tonen. Dit betreft het principe van ‘vragen staat vrij’. Duidelijkheidshalve: tijdens deze routineuze controles en ontmoetingen zijn burgers vaak geen verdachte in strafvorderlijke zin, waardoor zij niet verplicht zijn om hun medewerking te verlenen. Toch blijken burgers nauwelijks hun medewerking te weigeren aan zulke verzoeken.

 

Ik vraag het altijd van: ‘Mag ik uw ID zien?’ Van de 100 mensen geven 99 hun ID. ‘Oh hier.’ Ja, je bent toch van de politie. (Man, boven 30 jaar, Nederlands, hoofdagent)

 

Wanneer een burger reeds als risicovol is bestempeld en vervolgens in de ontmoeting met de agent niet meewerkt aan de controle, dan draagt deze houding op negatieve wijze bij aan het oordeel van de agent. Het gevolg is dat het initiële vermoeden van de agent wordt versterkt of bevestigd. Meerdere agenten hebben zich hierover uitgelaten. Een voorbeeld:

 

En dan kun je vragen: ‘Nou, mag ik even in je kofferbak kijken?’ En als hij nee zegt, nou dan heb je wel weer van: hé, hij houdt iets achter, mogelijk. Dus wel weer een plusje d’r bij. Dan denk je: het is goed dat we deze persoon in de gaten houden. Dat soort informatie muteer ik, zo van: ‘Deze persoon weigert dus om in zijn kofferbak te laten kijken.’ (Vrouw, boven 30 jaar, Nederlands, hoofdagent)

 

Normaal gesproken impliceert het label twee mogelijke uitkomsten: de oncoöperatieve burger is verdacht of een asshole (zie John van Maanen’s artikel ‘The Asshole’). Daarentegen typeert een categorie agenten elke weigering van een burger op een verzoek in het kader van ‘vragen staat vrij’ als verdacht. De informele beroepsnorm luidt als volgt:

 

Wat ik al zeg, als je iets te verbergen hebt, dan hoop je dat de agenten niets vinden. Maar als je niets te verbergen hebt, waarom zou je dan weigeren? (Man, onder 30 jaar, Nederlands, surveillant)

 

De Hoge Raad stelt eisen aan de vrijwillige medewerking van burgers. De toestemming moet blijken, dat wil zeggen, de vrijwilligheid moet volstrekt duidelijk zijn, de toestemming moet in vrijheid zijn gegeven, dus niet onder dwang of dreiging, en de betrokkene moet zich bewust zijn van het feit dat hij van bepaalde rechten afziet. De vraag dringt zich op in hoeverre burgers op vrijwillige basis meewerken. De asymmetrische machtsverhouding tussen de agent en de burger leidt er doorgaans toe dat de burger stilzwijgend instemt. Bovendien geven sommige agenten op dubbelzinnige wijze te kennen dat ze overtuigend overkomen wanneer ze vragen naar een vrijwillige instemming.

 

Kijk, voor de Wet ID was het niet makkelijk om de bijrijder te controleren. Wat deed je dan… Stel, ik wil de bijrijder controleren. Dan zet je de auto stil en dan vraag je de bestuurder naar rij- en kentekenbewijs. En dan zeg je: ‘Meneer de bijrijder, ik wil ook van u weten wie u bent!’ [met luide en autoritaire stem, en een serieuze blik] Vaak krijg je hem. (Man, boven 30 jaar, Indische-Nederlander, hoofdagent)

 

Het adagium ‘hoe meer informatie, hoe beter’ staat daarbij op gespannen voet met de Wet Politiegegevens (Wpg). De verwerking van politiegegevens moet noodzakelijk zijn met het oog op de uitvoering van de dagelijkse politietaak (artikel 8 Wpg). Om te toetsen of de gegevensverwerking noodzakelijk is, wordt ten eerste nagegaan of deze proportioneel is in relatie tot het doel. Ten tweede is de vraag of een andere methode minder ingrijpend is voor de persoonlijke levenssfeer van burgers. Dit betreft de subsidiariteit van de gegevensverwerking. De (doorgaans) algemene en ongerichte gegevensverzameling dringt de vraag op of er geen overbodige persoonsgegevens van burgers worden gemuteerd in politiesystemen. In veel gevallen is de grondslag voor de gegevensverwerking onduidelijk. Ook is onduidelijk welk aandeel van de registraties in politiesystemen daadwerkelijk wordt gebruikt in opsporingsonderzoeken.

Informatiegestuurde Politie (IGP), een abstract beleidsconcept van managementagenten, is doorgesijpeld naar de lagere regionen van straatagenten. Zij zien het in kaart brengen en het monitoren van groepen, evenals het actualiseren van informatie als een belangrijk resultaat van de controles. Daardoor is de proactieve controle nooit ineffectief voor de straatagent: in het slechtste geval worden burgers, ook als daar geen concrete aanleidingen voor zijn, gemuteerd in politiesystemen.

Informatiegestuurde Politie behoort eveneens de basis te zijn van de operationele aansturing. Maar paradoxaal genoeg hebben straatagenten door hun keuzes in het heden invloed op de aandachtsvelden in de toekomst. Informatie wordt namelijk ook op proactieve wijze verkregen, aangemaakt, gewijzigd en toegevoegd, zonder dat daar altijd een concrete politiële aanleiding voor is. Bovendien richt de aangevulde informatie van agenten zich vaak op de reeds gedefinieerde dadergroepen. Agenten en hun concrete optreden in het heden zijn daardoor medeverantwoordelijk voor de bestendiging van de politiecategorieën van de toekomst.

Alles bij elkaar helpt politie-informatie de (on)veiligheid behapbaar te maken, omdat ze gebieden of personen ordent langs het onderscheid risicovol of risicoloos. De effectiviteit van deze werkwijze is onduidelijk en staat op gespannen voet met de persoonlijke levenssfeer van burgers.

 

Sinan schreef “De controle van Marsmannetjes en ander Schorriemorrie: het beslissingsproces tijdens proactief politiewerk” (2012)