Kritisch, betrokken, onafhankelijk en nieuwsgierig

GENERALISERENDE AGENTEN ZIJN INEFFECTIEF

Agenten kunnen niet alle criminaliteit aanpakken, alle wetten handhaven en alle mensen controleren. Ze moeten keuzes maken. Tijdens proactief politiewerk maken agenten in de basispolitiezorg gebruik van generalisaties. Deze werkwijze is ineffectief en werkt stigmatiserend.

Traditioneel werkt de politie als brandjesblusser: ze probeert zo snel mogelijk de brandhaard te bereiken, blust de brand naar kunnen en wacht vervolgens op de volgende melding. Dit type agent is helaas altijd te laat. Sinds de jaren tachtig proberen agenten vroegtijdig bij de brandhaard te zijn. Sterker nog, zij zijn er het liefst nog voordat het vuur ontvlamt. De proactieve politieorganisatie wacht niet meer op meldingen van burgers, maar probeert criminaliteit vroegtijdig te voorkomen, te ontwrichten en te ontmoedigen.

Agent is een ‘Waar-is-Wally-zoeker’

In hun zoektocht hanteren agenten in de praktijk beelden van risicovolle burgers en werken zij met een selectieprofiel. Personen die enigszins binnen dit profiel passen, worden eerder gecontroleerd. Dit beslissingsproces omschrijf ik met de term waar-is-Wally-zoekers. In mijn kindertijd heb ik bijna de hele Waar is Wally? serie versleten. In boeken op A3-formaat moet de lezer op verschillende getekende platen Wally terugvinden. De tekeningen representeren verschillende realistische scènes, maar ook fantasievolle werelden. Het ‘signalement’ van Wally blijft daarentegen onveranderd: een blanke man met een bril en stok, donkerbruin haar, blauwe spijkerbroek, bruine schoenen en een rood-wit gestreepte trui.

De agent zoekt ook naar zijn Wally, met bepaalde uiterlijke kenmerken. Wally staat hier symbool voor de archetypische, gestolde en soms gedecontextualiseerde beelden van een ‘crimineel’. Bewust of onbewust definiëren agenten burgers niet noodzakelijkerwijs als verdacht omdat ze op dat moment een crimineel feit plegen of eerder criminele activiteiten hebben gepleegd. De dames en heren in het blauw doen dit ook omdat ze een bepaald uiterlijk – bijvoorbeeld huidskleur, gezichtsvorm, leeftijd, sekse, kleding en sieraden – op een negatieve wijze waarderen. Hun oordelen zijn niet neutraal ten aanzien van klasse, etnische achtergrond, leeftijd en sekse. Sommige uiterlijke kenmerken werken in het nadeel van burgers, terwijl andere kenmerken privileges vormen. Toch zijn deze ‘façades’ van burgers geen allesbepalende factor in de oordeelsvorming. Er is om dezelfde reden niet één Wally, maar er zijn diverse samenstellingen van uiteenlopende variabelen die meerdere Wally’s constitueren.

wheres_waldo


Ethno-racial profiling werkt niet

Dit selectieproces komt ten dele overeen met wat in de Anglo-Amerikaanse literatuur wordt omschreven als racial en ethnic profiling. Op de eerste plaats wordt er – onjuist – verondersteld dat zogeheten ‘groepen’ herkenbaar zijn op basis van biologische, dus raciale, kenmerken. Onwerkbaar, want de fysiologische variatie binnen etnische categorieën is te groot. Ten tweede wordt er van individuele daders naar ‘collectieven’ geredeneerd. Een oververtegenwoordiging van bijvoorbeeld Marokkaans-Nederlandse jongemannen in de vermogensdelicten biedt onvoldoende rechtvaardiging om de gehele Marokkaans-Nederlandse populatie daarmee te associëren. Ten derde kan de huidige werkwijze het vertrouwen van ‘groepen’ burgers in de politieorganisatie doen afnemen. Ten vierde worden criminelen die niet passen of neigen naar ‘het plaatje’ van de agent over het hoofd gezien.


Van boevenvanger naar informatiemakelaar

Bovendien leidt de proactieve controle niet tot een noemenswaardig aantal aanhoudingen. De reden is dat de controles zich baseren op de intuïtieve en vage vermoedens van de agent. Daardoor hebben agenten doorgaans onvoldoende wettelijke gronden voor een aanhouding. Het relatief lage aantal aanhoudingen staat echter in schril contrast met hoe straatagenten een selectieve aandacht voor bepaalde etnische categorieën rechtvaardigen.

Wat doen agenten dan wel?[i] Het resultaat van de proactieve controle is normaal gesproken (a) een registratie in een politiesysteem en (b) de veronderstelling dat criminaliteit in de voorfase van de uitvoering is voorkomen. Bij de eerste ‘hit’ wordt duidelijk dat Informatiegestuurde Politie, een abstract beleidsconcept van managementagenten, is doorgesijpeld naar de lagere regionen van straatagenten. Het uitgangspunt ‘hoe meer informatie, hoe beter’ staat echter op gespannen voet met de Wet Politiegegevens. Bij veel van de registraties is de grondslag voor de gegevensverwerking algemeen en ongericht en lijken ze overbodig en niet ter zake dienend. Het is verder onduidelijk hoeveel van de aangemaakte registraties daadwerkelijk worden gebruikt in opsporingsonderzoeken.

Deze praktijk heeft een bijzondere bijkomstigheid. Straatagenten hebben door hun keuzes in het heden, invloed op de aandachtsvelden in de toekomst. Informatie wordt ook op proactieve wijze verkregen, aangemaakt, gewijzigd en toegevoegd. Daarbij richt de aangevulde informatie van agenten zich vaak op de reeds gedefinieerde ‘doelgroepen’ en bestendigt deze categorieën. De alledaagse beslissingen hebben niet alleen betrekking op de keuze om bepaalde burgers te controleren, maar ook op de keuze wie er wel en niet wordt geregistreerd in politiesystemen.


Preventief politiewerk = black box

Voor de tweede ‘hit’ geldt dat de effectiviteit van preventieve interventies moeizaam kan worden vastgesteld. Er is geen daadwerkelijk misdrijf in het heden, maar een verbeelde daad in de toekomst – die zich niet noodzakelijkerwijs hoeft voor te doen, ook zonder ingrijpen van de agent.[ii] Daardoor is preventief politiewerk in de basis een virtuele aangelegenheid. Agenten voorkomen een hypothetisch en een in de toekomst liggend scenario.


In- en uitsluitende functie van de politieorganisatie

Het is merkwaardig dat de schadelijke effecten van de huidige werkwijze door de meeste mensen niet als nadelig worden ervaren. Volgens de publieke opinie is de onderwerping van onschuldige burgers aan proactieve controles collateral damage.Daarbij is de meest hardnekkige tegenwerping de oververtegenwoordiging van etnische minderheden in de zichtbare vormen van de criminaliteit. Ik word regelmatig gevraagd of ik dat ben vergeten. In dezelfde categorie: “Wat moeten we dan? Oma’s controleren?” Maar met robuust informatiegestuurd politiewerk heeft deze werkwijze weinig van doen. In plaats van zich te richten op individuele, specifieke en concrete daders en gedragingen leidt dit tot (zelf)sturing op het niveau van risicopopulaties en -profielen. Sociale categorisatie, stereotypen, status en prestige zijn onlosmakelijk verbonden aan proactief politieoptreden. De labels en categorisaties gaan niet zozeer over een vijandigheid richting bepaalde sociale of etnische ‘groepen’. Waar het daadwerkelijk om gaat, zijn de onderliggende machtsverhoudingen in een samenleving. De handhaving van de openbare orde bestendigt de grenzen tussen positief gewaardeerde ‘normale’ burgers en de groepen die ‘er niet bij horen’. Oftewel, proactieve controles reproduceren categorieën van ‘gevaarlijke’ buitenstaanders en marsmannetjes die een risico vormen voor de veiligheid van anderen in de Nederlandse samenleving – de binnenstaanders en ‘ingeslotenen’ die beschermd moeten worden.

 

Sinan Çankaya is cultureel antropoloog en doet onderzoek naar de politieorganisatie en in- en uitsluitingsprocessen. Dit artikel is een snapshot van zijn laatste publicatie De controle van marsmannetjes en ander schorriemorrie: het beslissingsproces tijdens proactief politiewerk.  Zie: http://www.boomlemma.nl/criminologie-veiligheid/catalogus/de-controle-van-marsmannetjes-en-ander-schorriemorrie-1#.

 

[i] Dat vroeg ook Ericson zich eerder af. Zie: Ericson, R.V. (1994) ‘The division of expert knowledge in policing and security’ BJS 45(2): 97-123

[ii] Zie ook Schinkel, W. (2009) ‘De nieuwe preventie: Actuariële archiefsystemen en de nieuwe technologie van de veiligheid’ Krisis (2): 1-21