Kritisch, betrokken, onafhankelijk en nieuwsgierig

GA DAN LEKKER TERUG!

Gepubliceerd: 11 april 2012

‘Als het je niet bevalt in Nederland, dan ga je toch lekker terug’, zei de beste man terloops. Het was geen fysieke aanval, maar wel een verbale en symbolische. Op het eerste oog is er niet veel mis met deze als-dan redenering. Minstens betreft het een zwakke tegenwerping van iemand die niet inhoudelijk reageert – ongeacht het onderwerp. Vaak schakelt een machteloze spreker over naar deze zin als de andere gesprekspartner een onwelgevallige mening over Nederland verkondigt. In deze interpretatie gaat het veeleer om een retorische zet, een strategische drogreden. Maar deze variant heeft verschillende lagen en betekenissen. De als-dan redenering is dwingend, maar verhult haar disciplinerende en gewelddadige karakter.

De zinsnede kan worden gebezigd ten aanzien van zowel de etnische meerderheid als ook etnische minderheden. Bij de eerste groep gaat het om de volgende vorm:

Als het je niet bevalt in Nederland, dan ga je toch lekker weg!

Als de zin wordt gebruikt tegenover iemand uit een etnische minderheidsgroep, dan verandert ‘weg’ soms in ‘terug’.

Als het je niet bevalt in Nederland, dan ga je toch lekker terug!

Ik moet terug, maar waar naartoe? Naar mijn huis in Amsterdam? Naar mijn geboortestad Nijmegen? Ah dummy, natuurlijk terug naar het ‘land van oorsprong’. In casu quo heeft de als-dan redenering een differentiefunctie – het produceert een latent etnisch en/of religieus verschil als een relevant verschil in de interactie. Teruggaan veronderstelt in dit geval een wederkeren naar het ‘land van oorsprong’, met een, in mijn ogen, evenzeer arbitraire oorspronkelijkheid.

De bovenstaande als-dan redenering is een vorm van territoriale excommunicatie – het categoriseert en markeert de groepen die wel en niet onderdeel zijn van de dominante ethnos. Territoriale excommunicatie komt simpelweg neer op het volgende: je bent niet van deze grond, ga dus maar lekker terug naar je eigen grond. De paradox – die minstens tot kortsluiting in de hoofden van sommigen zou moeten leiden – is dat de tweede generatie etnische minderheden op Nederlands grondgebied zijn geboren. De eigen cellen van het sociale lichaam Nederland worden als vreemd gezien, waardoor het afweersysteem zich niet meer richt op de ‘exotische’ cellen buiten het lichaam, maar op de cellen die reeds bij het sociale lichaam horen. Tegenover iemand met Turkse ouders zeggen dat die terug moet naar Turkije als Nederland hem niet bevalt, is een auto-immune handeling jegens de eigen lichaamscellen.

Na een autoreis van vier dagen heeft mijn zestienjarige versie ooit bij de grensstad Kapikule, die tussen de Bulgaarse en Turkse grens ligt, de ‘Turkse grond’ gekust. Bij nader inzien – toen stond ik er niet bij stil – is dit een symbolische uiting van een nationalistisch sentiment. Ik had mijn ‘land van oorsprong’ bereikt. Mijn biologisch en cultureel lichaam bevond zich in de tuin Turkije en ik kuste het heilige asfalt terwijl de geur van rubber zich drong in mijn neusholten en ik mogelijk het restspeeksel van mijn voorgangers met de mijne vermengde. Tegelijkertijd markeerde het ritueel – anderen maakten met mij hetzelfde gebaar, bekenden en volstrekte onbekenden – het einde van onze reis. Als ik na vier dagen afzien, stinken en passieve agressiviteit verzamelen in een te kleine auto met te veel mensen vanuit Nederland richting het Noordoosten was gereden en uiteindelijk was aangekomen in Wit-Rusland, dan had ik waarschijnlijk ook daar het asfalt gekust. Het hier beschreven ritueel is geen onderdeel meer van mijn habitus – welteverstaan, ik denk en handel niet meer op deze wijze, maar daar was toentertijd niemand mee geschaad.

De zinsnede ‘als het je niet bevalt in Nederland, dan ga je toch lekker terug’ reproduceert een vergelijkbaar symbolisch gewelddadig en nationalistisch wereldbeeld, waarbij primordiale kenmerken als de natie, de ethnos en de territoriale grond samenvallen. Het is een van-deze-grond visie op de wereld die blind is voor de demografische pluriformiteit in Nederland. Het is een uiting waarin er symbolisch geen plek is voor de ‘Ander’ die geen ander (meer) is. Het is een interpretatie van de sociale wereld waarin elke ethnos zijn eigen ‘oorspronkelijke’ tuin heeft en verdoezelt de willekeurigheid daarvan. Het is een wereldbeeld waar mozaïeken naast elkaar liggen en waar de natie louter met de dominante ethnos en territoriale grond correspondeert. Het is een irrationeel, onjuist en nostalgisch verlangen naar vroeger. Het is geen vorm van racisme, maar het is culturalisme – een opvatting waarin etnisch-culturele groepen zich niet behoren te mengen en waar elke groep zijn eigen tuin heeft en zich bij voorkeur ontdoet van de vreemde elementen daarin, zoals het onkruid en de ongedierte.

Jan Willem Duyvendak beschrijft op treffende wijze een ander, maar vergelijkbaar denken: het-wij-waren-hier-eerst-principe. Dit nativisme, het oudste recht op een grond of het recht van de eersten, is makkelijk te weerleggen, maar, zo stelt Duyvendak, toch moet men rekening houden met dit intuïtieve gevoel. Duyvendak hanteert overigens de analogie van een huis: de eersten mogen de baas in huis spelen.

Ik zal twee triviale voorbeelden geven waarin een vergelijkbaar denken zich manifesteert. In de eerste situatie heeft een persoon het raam open staan op kantoor. Een tweede persoon komt binnen, krijgt het koud en vraagt of het raam dicht zou mogen – op zijn minst minder wijd open. De tegenwerping van de persoon is: ‘Nee, ik was hier het eerst, je komt net binnenlopen’. In de tweede situatie wordt van een nieuwkomer geëist dat die zich schikt aan de bestaande regels in een huis met meerdere bewoners. Als er voorheen doordeweeks tot drie uur ’s nachts muziek werd geluisterd, dan heb je als nieuwkomer niet het recht om de gang van zaken ter discussie te stellen. De nieuwkomer behoort zich te conformeren aan de gebruiken van de ‘oorspronkelijke’ bewoners.

Nieuwkomers moeten zich aanpassen aan de heersende mores, normen en waarden in het ‘land van aankomst’. Gasten, zoals het betaamt, passen zich aan. Wie in Rome is…Maar etnische minderheden zijn geen gasten, geen toeristen en geen willekeurige passanten. Ze zijn onderdeel van de ‘Nederlandse tuin’. Wil je alsjeblieft opschuiven? Wie weet bloeit er straks een mooie ‘oorspronkelijke’ tulp in ‘onze tuin’.

 

Sinan Çankaya……en…..maar……..dus……..