Kritisch, betrokken, onafhankelijk en nieuwsgierig

Openingsspeech tentoonstelling Ton Hendriks “Amsterdamse Stadsgezichten”

 

Beste Amsterdammers en andere mensen,

Vijf jaar geleden moest ik beslissen op welke plek ik wilde wonen en werken. Ik had de jaren daarvoor in Engeland en in Frankrijk, preciezer nog in Bradford en in Parijs gestudeerd. Al vrij snel bleven er twee opties over: ik ging werken in het buitenland – onverschillig welk land – of ik zou naar Amsterdam gaan. Want Amsterdam, dat was voor mij altijd een beetje het buitenland in Nederland. Ik kan jullie vertellen dat ik ondertussen alweer vijf jaar met veel plezier in deze geweldige stad woon.

Maar waarom Amsterdam? Vanwege de superdiversiteit van de stad: de 178 nationaliteiten, het aanbod aan musea en andere culturele festiviteiten die ik altijd prijs aan niet-Amsterdammers, maar zelf vrijwel niet bezoek, mijn behoefte aan externe prikkels die hier alomtegenwoordig zijn en de anonimiteit die de grote stad biedt. En: er zijn verschillende smaken in Amsterdam, maar in Amsterdam mogen smaken ook echt verschillen. Kortweg was Amsterdam voor mij aantrekkelijk vanwege de grote variatie en diversiteit op allerlei terreinen. Het valt mij op dat mensen die niet in Amsterdam wonen zich juist storen aan de diversiteit in de stad. Dit neemt soms vreemde vormen aan. Zo was het afgelopen weekend mijn moeder op bezoek, die zelf in Nijmegen woont. We liepen wat rond in Bos en Lommer en op een gegeven moment fluistert mijn Turkse moeder, in het Turks, terwijl we Turkssprekende mensen passeren: Wat wonen er een boel allochtonen in Amsterdam! Ik heb mijn moeder maar niet geconfronteerd met de pijnlijke werkelijkheid dat zij volgens de definitie van het Centraal Bureau voor de Statistiek ook een allochtoon is.

Na vijf jaar in Amsterdam, dringt de volgende, voor mij existentiële vraag zich op: Ben ik een Amsterdammer? Ik was nog niet klaar met de vraag of ik een Nederlander ben, of eigenlijk, een Nederlander mag zijn, en nu word ik gekweld door deze vraag: Ben ik een Amsterdammer – of eerder – mag ik een Amsterdammer zijn? Een vriend verhuisde naar Amsterdam en stelde zich aan anderen al na twee dagen heel enthousiast voor als een Amsterdammer. Vond ik raar. Zelf was ik in mijn eerste jaar in Amsterdam vooral bezig om over te komen als een Nederlander, omdat elke Amsterdammer die ik tegenkwam – ingegeven door mijn Nijmeegs accent – mij vroeg of ik uit België kwam. Hoe dan ook: Zijn er criteria waar ‘de’ Amsterdammer aan moet voldoen? Zouden die er überhaupt moeten zijn?

De fototentoonstelling van Ton Hendriks helpt mij in het beantwoorden van deze vragen. Prinses Maxima stelde ooit dat ‘de’ Nederlander niet bestaat en kreeg het hele land over zich. Ton Hendriks zegt in wezen – op visuele wijze – dat ‘de’ Amsterdammer niet bestaat. Maar ik verwacht niet dat de ‘echte’ Amsterdammer boos zal worden op Ton. Want wie is de ‘echte’ Amsterdammer? Wie kan er, redenerend vanuit het ‘ik-was-hier-het-eerst-principe’, claimen de échte Amsterdammer te zijn?

Amsterdam is immers een stad van mensen met heel verschillende achtergronden en heel verschillende levensstijlen. De helft van de bevolking heeft direct en indirect haar wortels in het buitenland. Een evenzo grote groep komt uit een ander deel van Nederland, zoals Gelderland, Brabant of Limburg; de zogenaamde import-Amsterdammers. De vraag wil de echte Amsterdammer opstaan wordt door de portrettenserie van Ton Hendriks plotseling ambigue, zelfs absurd. De foto’s laten zien dat de Amsterdammer vele verschijningsvormen kent. Met andere woorden, er zijn vele echte Amsterdammers, Amsterdammers die er allemaal mogen zijn. Zo bezien mag mijn vriend zich ook na twee dagen een Amsterdammer noemen. Punt. Klaar.

De foto’s problematiseren ook de begrippen autochtonen en allochtonen. De Adviesraad Diversiteit en Integratie van de Gemeente Amsterdam pleit ervoor om deze begrippen niet meer te gebruiken, omdat ze disfunctioneel en zelfs schadelijk zijn in het debat en in beleid. Een korte achtergrond: het begrip autochtoon duidt op mensen wiens ouders in Nederland zijn geboren. Het woord allochtoon op diegene van wie één van de ouders niet in Nederland is geboren. In de geografie is de letterlijke vertaling van autochtoon – ‘van deze grond’ – en van allochtoon – ‘niet van deze grond’.

Zo bezien is het bizar dat een in Amsterdam geboren kind van ouders uit Marokko of Suriname geldt als ‘allochtoon’, terwijl een kind van een Limburger of Groninger die in Amsterdam is komen wonen ‘autochtoon’ wordt genoemd. Het Centraal Bureau Statistiek is zelfs bezig om de definitie een generatie op te schuiven. Dit is geen triviaal onderwerp. Stel ik trouw met een roomwitte Nederlandse vrouw uit Zeeland en we krijgen een kind. De situatie is dan dat ik, mijn Zeeuwse vrouw en mijn kind allen op Nederlands grondgebied zijn geboren – toch blijft mijn kind een allochtoon. Dit heeft niets met politieke correctheid te maken, hét hedendaagse scheldwoord dat te pas en onpas wordt gebruikt. Voor Amsterdammers zouden dit soort uitsluitende indelingen geen rol moeten of mogen spelen.

———————————————————————————————————————————–

Een ander thema in het werk van Ton Hendriks is de impact van het stadsleven op het individu. De geportretteerde Amsterdammers hebben allen prachtige markante gezichten en accessoires op het lichaam waarmee ze hun eigenheid uitdrukken in de veelkleurigheid en veelsoortigheid van Amsterdam. Zij geven daarmee op persoonlijke wijze invulling aan hun eigen vrijheid. In dit licht biedt de stad de ruimte om verschillende elementen van de eigen identiteit te profileren.

Maar het stadsleven komt met een prijs en ik wil hier iets langer bij stilstaan. De socioloog Georg Simmel heeft hier uitgebreid over geschreven. In een metropool moeten mensen cognitief gezien veel impressies verwerken. Er is op serieuze wijze soms sprake van een cognitive overload. Volgens Simmel neemt de stadsmens een onverschillige houding aan tegenover voorbijgangers om zich daarmee staande te houden te midden van de vele externe prikkels. In de Amsterdamse en nog erger, Parijse metro is deze houding het meest extreem: voorbijgangers en andere metropassagiers worden behandeld als objecten. Ik wist dit niet toen ik net in Parijs ging studeren. Na verloop van tijd deed ik ook mijn hoofd omlaag, keek ik niemand meer aan en deed ik mijn oordopjes in. De antropoloog Marc Augé stelt dat in de metro mensen niet alleen een onverschillige, botte of harde houding aannemen, maar ook hun lichamen harder maken, door hun spieren aan te spannen. In het waarschijnlijke geval dat mensen tegen elkaar botsen in de metro wordt hiermee geïmiteerd dat twee objecten, zoals levensloze meubelstukken, tegen elkaar botsen. Het onwillekeurige lichamelijke contact met een onbekende wordt daarmee vergemakkelijkt voor de stadsmens. Zo zegt Augé dat een ontspannen en zacht lichaam uit den boze is in de metro of bus, omdat dit kan suggereren dat het onwillekeurige lichamelijke contact seksueel van aard is. Waar antropologen niet goed voor zijn.

We negeren onze omstanders ter zelfbescherming. Het resultaat is een hardheid in de houding en in het lichaam. De stad socialiseert haar bewoners, vanwege haar massaliteit en fysieke organisatie, in het niet-sociaal en soms asociaal zijn. De stadsmens behandelt daarbij niet alleen voorbijgangers als anonieme personen, maar wil zelf ook anoniem zijn in de grote stad. Op andere momenten wil de stadsmens weer erkenning van de eigen persoonlijkheid. Deze paradox is als volgt samen te vatten: zie mij en zie mij niet. Soms willen mensen gewaardeerd en erkend worden op grond van hun uniciteit. Soms willen ze anoniem struinen door de straten van Amsterdam zonder dat er naar ze wordt gewezen, omdat ze er ‘anders’ uitzien.

Mensen leven naast elkaar, maar ook door elkaar. Als mensen zich willen terugtrekken, dan is dat hun goed recht. Maar soms moeten we elkaar ook ontmoeten. Ons verwonderen over de ander, die een onbekende voor ons is. Geïnteresseerd zijn in wie ze zijn, wat ze doen en welke verhalen ze te vertellen hebben. Voor mij persoonlijk onderstrepen de foto’s van Ton Hendriks het belang hiervan.

Misschien is het tijd om de succesvolle Iamsterdam-campagne een vervolg te geven met een WeareAmsterdam campagne, met de nadruk op onze variatie en diversiteit. Amsterdam dankt immers zijn welvaart en zijn cultuur aan zijn geschiedenis als stad van immigranten en nieuwkomers. Tegelijkertijd zorgt alle verandering voor gevoelens van vervreemding. De stad is verandert en de stad is niet meer wat het is geweest, wordt er dan gezegd. Natuurlijk verandert de stad en natuurlijk is de stad nooit wat het eerst was. Amsterdammers vertrekken en Amsterdammers komen. Punt. Klaar.

De foto’s van Ton Hendriks werken bedoeld en onbedoeld aan het idee van zowel Iamsterdam als ook WeareAmsterdam. De foto’s vragen om onze oordopjes af te doen, onze hoofden op te richten en de andere Amsterdammers op te merken. De foto’s dwingen om onszelf af te vragen wie die andere Amsterdammers zijn. De foto’s worden bij voorkeur bekeken met een ontspannen en zacht lichaam – en de suggesties die hierdoor kunnen ontstaan, nemen we voor lief. De foto’s fluisteren: zie mij en zie mij niet. En de foto’s tonen stuk voor stuk echte Amsterdammers. Punt. Klaar.

De fototentoonstelling ‘Amsterdamse Stadsgezichten’ van de fotograaf Ton Hendriks is tot 2 september 2012 te bezichtigen in Melkweg Galerie.