Kritisch, betrokken, onafhankelijk en nieuwsgierig

AGENTEN ALS VERSCHILLENZOEKERS

Tijdens alledaags politiewerk scant de agent zijn omgeving. De politieogen zijn alert en wantrouwen elementen die afwijken van het ‘normale’. Maurice Punch beschrijft dat de macht van de agent om naar burgers te kijken – of eigenlijk aan te staren – in wezen een schending is van normatieve omgangsregels in de samenleving. MacInnes zegt treffend: ‘All coppers stare. Nobody else in England, except kids and coppers, stare.’

In de dagdagelijkse praktijk combineert de agent (on)bewust meerdere selectiecriteria en zoekt naar de normatieve afwijkingen van het gevormde ‘plaatje’. Er is een contextafhankelijk en genormeerd basisbeeld waartegen personen, kledingstijlen, voertuigen en gedragingen worden afgezet. Een voorbeeld is dat een Turks-Nederlandse jongen in een ‘witte’ wijk de aandacht van de agent trekt. De agent zet het biologische lichaam van de ‘Turkse’ jongen af tegen de couleur locale. In metaforische zin betreft dit de huidskleur van de bewoners die in een bepaalde locatie overheerst en domineert. Sommige lichamen zouden daardoor ‘niet passen’ in een specifieke context. Dit cognitieve denkproces omschrijf ik met de term ‘verschillenzoekers’. De consequentie is dat de agent zich afvraagt waarom bepaalde personen – die ergens niet ‘thuishoren’ – zich daar bevinden. Dit denkpatroon van straatagenten verklaart de recente zaak van de Ghanese tuinman in Aerdenhout. Vanuit een territoriale visie op straten, buurten en pleinen ontstaan normatieve beoordelingen over goed/slecht, gewoon/ongewoon en gevaarlijk/ongevaarlijk.

Toch blijkt dat agenten de grondstelling – “personen die niet in het straatbeeld passen zijn risicovol” – inconsequent hanteren. In de etnisch heterogene buurten schakelen zij namelijk over naar een demografische redenering en laten zij het incongruentieperspectief varen. De stelregel luidt als volgt: in deze wijk controleer ik hen vaker, omdat ze hier wonen. ‘Hen’ heeft hier betrekking op jongemannen uit etnische minderheidsgroepen. Echter, volgens het incongruentieperspectief controleerden zij etnische minderheden in de overwegend witte (en vermogende) wijken, omdat zij daar niet woonden. Dit betekent concreet dat een Marokkaans-Nederlandse jongeman in Amsterdam-West de kans loopt om gecontroleerd te worden, omdat ‘hij daar zou wonen’ (demografisch perspectief) en in Amsterdam-Zuid, omdat ‘hij daar niet zou wonen’ (incongruentieperspectief). Strikt genomen is de implicatie dat autochtone Nederlanders op basis van deze redeneerregels noch in Amsterdam-West, noch in Amsterdam-Zuid een kans lopen om te worden gecontroleerd.

De data illustreren de onvolkomenheden van de incongruentiethesis om de controles te verklaren. Agenten passen deze selectieprocedure ook toe op groepen die zij al bij voorbaat hebben gedefinieerd als risicovol. De waargenomen incongruenties tussen ‘persoon’ en ‘locatie’ lijken eerder een cognitief onderscheidingsmiddel om de sociale werkelijkheid te categoriseren. Centraal staat namelijk de betekenis die de agent aan de verschillen geeft. Het is geen taak van de politie om te controleren of personen ergens wel of niet horen. De agent beoordeelt vooral of de persoon die niet in het straatbeeld past, zich mogelijkerwijs bezighoudt met criminaliteit.

De rigide selectiebeelden bieden houvast in een fluïde en ambivalente stad als Amsterdam en lijken noodzakelijk voor het handelen. Het gevolg is dat de selectieprocessen van politieagenten een in- en uitsluitend effect hebben op de personen die worden gecontroleerd. Bepaalde locaties zijn voor sommigen ‘verboden terrein’, waardoor de politieorganisatie een specifieke ruimtelijke ordening produceert. Ze bevestigt waar mensen ‘horen’ en waar mensen ‘niet horen’.

In het boek De controle van marsmannetjes en ander schorriemorrie geeft Sinan Çankaya inzicht in het denken van straatagenten. BOEK BESTELLEN!!